01_Natuur landschap cultuur
02_Landbouw
03_Recreatie
04_Gezonde woon en leefomgeving
05_Economie en werkgelegenheid
06_Energie en milieu
07_Mobiliteit en bereikbaarheid
08_Basisvoorzieningen

3.2. Spelregels

De Omgevingsvisie brengt in beeld waar we op verschillende thema’s en uitgewerkt voor enkele gebieden naar toe willen. We willen de doelen bereiken die we in de omgevingsvisie hebben geformuleerd. Dat betekent dat initiatieven die een bijdrage leveren aan deze doelen (en geen afbreuk doen aan andere doelen), worden omarmd.

Bijdragen aan de gestelde doelen is niet het enige criterium waar een initiatief aan moet voldoen. Het is belangrijk dat het initiatief voldoende breed wordt gedragen en uitvoerbaar is voor wat betreft omgevingsaspecten en beleid van andere overheden.

Omdat het behoud van de kwaliteiten van Oirschot een breed gedragen en groot belang vertegenwoordigt, moeten nieuwe initiatieven substantieel bijdragen aan het behoud en de versterking van deze kwaliteiten. De wijze waarop is aan de creativiteit van de initiatiefnemer. Mocht het initiatief daar niet of onvoldoende in voorzien, dan kan de extra kwaliteitsimpuls ook door middel van een bijdrage in bijvoorbeeld  een fonds worden gedaan.

Het hieronder weergegeven schema geeft de spelregels in het kort weer.

 

 

Wie speelt welke rol in het schema?

Het initiatief

De initiatiefnemer zorgt ervoor dat het initiatief bijdraagt aan de doelen van de omgevingsvisie. Er zijn initiatieven die niet direct bijdragen aan de doelen van de omgevingsvisie, maar een dermate groot maatschappelijk belang vertegenwoordigen, dat medewerking toch gewenst is. Denk bijvoorbeeld aan de verbreding van de A58, die wel aan de mobiliteitsdoelen van de gemeente kan bijdragen, maar tegelijkertijd strijdig kan zijn met kwaliteitsdoelen. Ook bestaan er initiatieven, waarvan het niet mogelijk is ter plaatse aan voldoende kwaliteitsverbetering te kunnen doen. Door een fondsbijdrage, kunnen die doelen wel indirect worden ondersteund. De gemeente, als beheerder van het fonds, speelt hierin een verbindende rol.

Gezien de kwaliteitsdoelstellingen van de gemeente (algemeen uitgangspunt) verwachten wij van de initiatiefnemer dat er ook wordt geïnvesteerd in verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Algemeen uitgangspunt is dat nieuwe ontwikkelingen voldoen aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ en een bijdrage leveren aan versterking van de kwaliteiten van het gebied.

Maatschappelijke aanvaardbaarheid

Of een initiatief bijdraagt aan de gestelde doelen, wordt in belangrijke mate bepaald door het maatschappelijk draagvlak. Dit wordt door de initiatiefnemer georganiseerd.

Wel gelden enkele voorwaarden waar draagvlak in ieder geval aan moet voldoen. De voorwaarden hebben vooral betrekking op ‘wie’ en ‘wat’. Het ‘hoe’ wordt aan de initiatiefnemer overgelaten. Wij gaan kort op deze voorwaarden in.

Wie:

  • De directe omgeving/omwonenden:
    Zij moeten worden betrokken bij het genereren van draagvlak. De directe omgeving wordt bepaald door iedereen waarop het initiatief effect heeft. Dat betekent dat bij grootschalige projecten meer mensen worden betrokken dan bij een kleinschalig project.
  • Belangenorganisaties:
    Partijen die een belang hebben of wiens belang geschaad kan worden door het initiatief.

Wat:

Er moet draagvlak zijn voor het initiatief. Om te kunnen beoordelen of dit in voldoende mate aanwezig is, verlangt de gemeente een verslag. Hierin wordt aangegeven in hoeverre er draagvlak is voor het initiatief en hoe dit draagvlak is verworven en welke maatregelen eventueel zijn genomen om het initiatief en daarmee het draagvlak te verbeteren.

Van te voren moet goed worden nagedacht welke actoren moeten worden benaderd om tot voldoende draagvlak te komen De gemeente kan hierbij behulpzaam zijn.

Hoe:

Het verslag van de initiatiefnemer wordt gebruikt bij de besluitvorming over het initiatief door college en raad.

Voldoet het project aan omgevingsaspecten

De omgevingsvisie heeft een signaalfunctie voor nader onderzoek bij ruimtelijke procedures. Rekening moet worden gehouden met diverse beleidstukken, zoals:

  • Verordening ruimte;
  • Gemeentelijke beleidsstukken;
  • Landschapsbeleid;
  • Normering met betrekking tot geluid, externe veiligheid, etc.

De initiatiefnemer is primair verantwoordelijk voor het doen van de juiste onderzoeken, als zijn initiatief voldoet aan het bijdragen aan de doelen en verworven draagvlak. Dit is vergelijkbaar met gangbare planvorming voor initiatieven die niet in een bestemmingsplan passen. De meerwaarde van deze werkwijze zit hem in de voorbereiding voorafgaand aan de procedure, zodat de formele procedure soepeler en sneller kan verlopen.

De gemeente kan de initiatiefnemer op dit punt faciliteren, door gezamenlijk de strategie te bepalen welke onderzoeken nodig zijn of andere overheden te betrekken bij, dan wel te overtuigen van het belang van het initiatief.

Uiteindelijke beoordeling gemeente

Als medewerking van de gemeente noodzakelijk is, dan wordt het project getoetst aan de hand van het stroomschema. Daarin is de gemeente gesprekspartner en faciliteert (ambtelijk). Op een hoger abstractieniveau bewaakt de gemeente (college en raad) de onderlinge samenhang en beoordeelt het maatschappelijk aan de hand van het door initiatiefnemer opgestelde verslag. Ook als het maatschappelijk draagvlak geen doorslag geeft over de wenselijkheid van het initiatief, zal het gemeentebestuur de knoop doorhakken. Omgekeerd betekent dat als een initiatief het stroomschema goed doorlopen heeft en er sprake is van een breed draagvlak, het college en raad het initiatief in principe zullen omarmen.

Financiering, prioritering en fasering

Als (mede)financiering van de gemeente noodzakelijk en gewenst is, dan wordt het project zo mogelijk in de begroting opgenomen. Omdat niet alles tegelijkertijd kan, zal de gemeente prioriteiten stellen en projecten zo nodig faseren.

Bijdrage ruimtelijke kwaliteit

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling verwachten wij van de initiatiefnemer dat er ook wordt geïnvesteerd in verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Algemeen uitgangspunt is dat nieuwe economische ontwikkelingen een bijdrage leveren aan versterking van de kwaliteiten zoals omgeschreven in deze omgevingsvisie en de inspiratieatlas: ‘voor wat hoort wat’.

Deze bijdrage (verevening) kan op twee manieren plaatsvinden: rechtstreekse fysieke verevening of compensatie via een (verevenings-)fonds.

Bij rechtstreekse fysieke verevening realiseert de initiatiefnemer van een project zelf de verevening. Deze vorm van verevening kan op drie wijzen plaatsvinden:

  • geïntegreerd in het project;
  • aansluitend aan het project;
  • op afstand van het project.

Bij toepassing van een vereveningsfonds stort een initiatiefnemer een geldbedrag in een fonds, op basis van een kapitalisatie van de noodzakelijke verevening. De beheerder van het vereveningsfonds gebruikt het fonds vervolgens om de benodigde verevening te realiseren. Daarbij kunnen de vereveningsbijdragen van verschillende initiatieven gebundeld worden ingezet. De Landschapsinvesteringsregeling (LIR) is zo’n regeling gericht op het buitengebied. Verbreding naar andere gebieden en andere thema’s is wenselijk. Gedacht kan worden aan fondsen gericht op sloop van vrijkomende stallen, recreatieve voorzieningen en dergelijke.

Hoe bijdragen worden besteed, kan eveneens uitgewerkt worden. Zo kan een kwaliteitskader voor het buitengebied (inspiratieatlas, zie 2.3.1.) een programma bevatten van kwaliteit-verbeterende maatregelen, die betaald worden uit bijdragen die in het fonds zijn gestort. Deze verbreding is als project geformuleerd in de projectenlijst (3.4).